Chris van Lenteren over ‘Oorlog en terpentijn’

Echte lezers recensies

Stefan Hertmans

Oorlog en terpentijn
Stefan Hertmans

Zojuist veeg ik tranen uit mijn ogen en sla de roman, waar ik gisterenochtend aan begon dicht en leg hem met een zucht neer, een meesterwerk zeg ik zacht voor mij uit. Wat maakt een roman tot een geslaagde roman in mijn ogen, toch niet enkel het vermogen om mij te ontroeren? Nee, dat is een vals criterium, zeker daar ik met de jaren sentimenteler ben geworden en het geen kunst meer is om mij vochtige ogen te bezorgen. Nee, Oorlog en terpentijn biedt veel meer dan ontroering alleen.

Stefan Hertmans beschrijft het leven van zijn grootvader zo, dat het begrijpbaar wordt, de tijd waarin hij leeft, bijna om aan te raken en de wereld die hij ziet verdampen voelbaar. In het eerste deel schetst Hermans het ontstaan van de schilder in zijn grootvader, door de vele stille uren te beschrijven die hij doorbracht bij zijn straatarme vader die fresco’s restaureerde in kerken en kloosters. De context van dit verhaal, de tijd van het vanzelfsprekende katholieke geloof, de mores van het België van voor de eerste oorlog roept hij in vele kleuren op. Zo fijn als zijn grootvader schilderde, zo detailrijk schildert Hertmans de levens van de hoofdpersonages binnen hun tijd en plaats, vijf generaties omvattende. In die zin is Oorlog en terpentijn een familieroman en een historische roman ineen, gebaseerd op biografische gegevens. We volgen de grootvader in de aanloop tot de oorlog, die al aangekondigd wordt in de beschrijving van het werk in de ijzergieterij, waar de zoon van de eigenaar stomdronken in de gloeiend hete oven valt en zijn verminkte gezicht een voorafspiegeling is van het onbegrijpelijke geweld dat al het ijzer van geweren, kogels, mitrailleurs, bommen en granaten straks over dat vredige land zal uitstorten.

Die oorlog is er heel verschrikkelijk plotseling, maar niet zoals in de film de Deerhunter, waarin in de ene minuut de jongens nog in de kroeg meelallen met een op een valse piano gespeelde wals van Chopin, en zich in de volgende, midden in de hel van de Vietnamoorlog bevinden. In Oorlog en terpentijn marcheren de soldaten, waaronder de grootvader zich bevindt, van de prachtige polders van hun jeugd, de onstuitbare vernietiging van hun wereld tegemoet. Hertmans geeft je geen uitweg, zoals er voor de jongens geen is, hij sleept je de hel in op een manier die je de loopgraven doet ruiken, de trommelvliezen laat barsten, de dood in al zijn gruwelijke gedaantes voorbij laat komen en je diepste angsten fel op laat gloeien. Het zijn de onvoorstelbare beelden van de reis naar het einde van de nacht, maar nu niet gezien door een cynisch geworden Celine, maar door de ogen van een vooroorlogse Belg met standaarden die in korte tijd belachelijk worden in de morele kaalslag die hem overrompeld. In het boek is, in bladzijden geteld de, oorlog een intermezzo, een alles omverblazend intermezzo, waarin de grootvader overigens driemaal gewond raakt en elke keer als vanzelfsprekend na herstel weer terug gaat naar het front. Na de derde herstelpauze meldt de grootvader in zijn dagboek dat de oorlog eentonig wordt en hij zegt het op het moment dat je dat als lezer net hebt gedacht, zelfs de hel kan eentonig worden. Zo snel als de oorlog kwam, zo snel werd het stil.

De grootvader is nog een jonge man als hij, na vier jaar stront, modder, afgeschoten ledematen, bizarre bevelen, jongensboekspannende militaire operaties, ratten, kameraadschap, en na voortdurend op het randje van de dood te hebben verkeerd, weer thuiskomt. Een aantal steunberen van zijn bestaan hebben het niet begeven; de belangrijkheid van zijn familie, zijn katholieke geloof en zijn schilder en tekentalent. Wat volgt is nog een lang leven waarin blijkt dat ook een aantal waarden intact zijn gebleven. Zo huwt hij, na een korte verloving met de mooie en hartstochtelijke Maria Emilia, die voordat ze kunnen trouwen aan de beruchte Spaanse griep overlijdt, op vraag van haar vader, met haar zuster Gabriele, die hem na het verwekken van hun enige dochter, Hertmans vrouw, geen toegang meer gaf tot haar schoot. Hij huwt haar vanuit een soort vanzelfsprekende plicht. In dit derde deel komt ook de speurtocht en de autobiografie van Hertmans zelf in beeld, zonder dat zich dat ook maar een moment opdringt.
Het boek blijft een magistraal verteld en gecomponeerd eerbetoon aan zijn grootvader.  Dat de grootvader tijdens zijn herstel in Liverpool oog in oog komt te staan met een fresco van zijn vaders hand, waarin hij zijn eigen gezicht herkent, is, als het niet biografisch zou zijn, toch schitterend gevonden. In het eerste deel bijvoorbeeld, overlijdt de overgrootvader, de kerkenschilder, veel te jong en zijn vrouw rouwt daar over zoals in de romans van Gabriel Garcia Marquez wordt gerouwd, na een paar maanden vraagt ze zich af waar haar kinderen zijn. Op dezelfde bijna onderkoelde wijze toont Hertmans de grootvader, die op de avond voor zijn overlijden, nadat hij tegen zijn dochter heeft gezegd “ ik ben zo gelukkig geweest vandaag”,  zijn kleren uit-, zijn nachthemd aantrekt en gaat liggen om de volgende morgen stilletjes te sterven.
Hertmans heeft een meesterwerk geschreven met zeer precies en prachtig taalgebruik, met een levendige evocatie van een voorgoed voorbije tijd, met een onverholen bewondering en liefde voor zijn grootvader en het voelbaar maken van de eerste wereldoorlog, geholpen door de dagboeken van zijn grootvader, een jaar voordat de herdenking van het begin ervan los zal barsten.

Chris van Lenteren